Carolien Cramer

Carte Blanche

Carte Blanche behaalde in 2018 de derde plaats van de verhalenwedstrijd Deadline

en is opgenomen in de bundel met de gelijknamige titel van uitgeverij LetterRijn.


Stap één. Ik doe net of ik slaap. Rustig ademhalen, Tamara, denk ik. Adem in, adem uit. Ik voel de zachte, warme lippen van Richard op mijn wang. ‘Slaap maar lekker,’ fluistert hij. Ik kreun. Zijn hand strijkt een haar uit mijn gezicht. ‘Vosje.’ Zijn stem klinkt liefkozend. Nu pakt hij een lok, speelt er even mee en grinnikt. Dan is het stil. Is dit een test? Heeft hij in de gaten dat ik doe alsof?

Ik denk dat hij weg is, maar weet het niet zeker. Richard kan aanwezig zijn zonder dat je het merkt. In gedachten zie ik hem naast ons bed staan, in zijn donkerblauwe uniform met gele strepen, handboeien links op zijn heup, dienstwapen rechts. Zijn lichtblonde haar in een strakke scheiding. Een knappe man met felblauwe ogen. Een man in de bloei van zijn leven, een veertiger. Ik wik en weeg; bewegen of niet. Ik besluit om stil te blijven liggen en adem. In en uit. Minuut na minuut. Dan hoor ik zijn schoenen kraken, hoor ik hem de trap aflopen. Ik houd mijn adem in en wacht op het geluid van de voordeur, het starten van de auto. Pas dan is het tijd voor stap twee: opstaan, wassen en ontbijten. De routine van een vrije zaterdag. Hoe snel verstrijkt de tijd als je nog maar één uitweg ziet? Te snel, vind ik. Verdomde snel zelfs. ‘Tik, tak, tik, Tamara. De klok tikt je uren weg,’ prevel ik. ‘Je hebt er nog maar veertien over. Nog veertien van de vierentwintig.’

In de badkamer kijk ik in de spiegel. Richard vindt dat ik mooie ogen heb. Niet blauw en niet groen. Net iets ertussenin – zeeblauw. Ik staar in het niets. Want dat is wat ik ben. ‘Hoi, Tamara,’ zeg ik tegen mijn spiegelbeeld, ‘morgen ben je jarig.’ Ik trek een grimas en zing lang zal Tamara leven in de gloria. Het klinkt sarcastisch. Als ik mijn haar met een elastiekje in een staart bind, zie ik een zilverdraad. Dat vind ik mooier klinken dan een grijze haar. Ik trek hem eruit. Daarna poets ik langzaam mijn tanden. Ik slik. Slikken doet zeer, bewegen doet zeer, tandenpoetsen doet zeer. Roze schuim verdwijnt borrelend in het putje van de wastafel. Bloed, denk ik. Het bloedt nog steeds. Een uur later trek ik de voordeur achter me dicht.

Ik meld me binnen bij een kantoortje van een ongezellig uitziend gebouw, een soort loods. ‘Dag,’ zeg ik tegen de man die achter de balie zit. ‘Ik heb een afspraak.’ Aangezien hij iets voorover zit, kan ik op zijn kruin kijken. Die is een beetje kaal en schilferig. Zijn grijze haar hangt piekerig tot op zijn schouders. Geschatte leeftijd van bovenaf? Zestig jaar of ouder. Ik griezel, en ril bij de aanblik van dat hoofd.

‘Naam?’ De man kijkt niet op en rommelt in een stapel papieren die voor hem ligt.

‘Tamara van den Burg,’ zeg ik.

‘Ooit eerder hier geweest?’

‘Nee. Dit is de eerste keer.’ En de laatste, denk ik erachteraan.

Hij mompelt iets onverstaanbaars, steekt zijn hand over de balie en zegt met een rokersstem: ‘Legitimatie bij je?’ Ik graai in mijn tas en geef hem mijn paspoort. Een gouden schakelarmband om zijn pols glinstert in de tl-verlichting. Koud licht, vind ik dat. Het hoort bij het gebouw, en bij de ruimte waarin ik sta: een hal met grijze tegels, stalen kluisjes langs de muur en een kantoortje met een balie. Ik ril opnieuw. Hoeveel tijd heb ik nog? Ik kijk op mijn horloge. Tik, tak, tik, minder dan twaalf uur. Vandaag moet het gebeuren. Morgen kan het te laat zijn.

De man neemt alle tijd. Hij weet niets van mijn deadline, van het aantal uren dat rest. Hij bladert op zijn gemak door het paspoort, kijkt mij vervolgens aan en zegt: ‘Ik hou het nog even hier,’ en wappert het ding heen en weer. Zijn bruine ogen lijken te lachen. ‘Je krijgt het zo terug, hoor,’ gaat hij verder. ‘Alleen even checken of je geen strafblad hebt en zo.’

Op de een of andere manier kan ik alleen knikken, zit mijn mond op slot. Een warme gloed kruipt vanuit mijn buik omhoog naar mijn maag, keel en gezicht. In mijn kaak voel ik een kloppende pijn. Ziet hij mijn rode hoofd? Natuurlijk ziet hij dat.  ‘Kijk niet zo benauwd,’ zegt hij. ‘Ik maak alleen een kopie, voor als ze komen controleren.’ Nu lacht hij voluit en leunt gemoedelijk met zijn ellebogen op de balie. ‘We zien hier niet vaak vrouwen. Speciale gelegenheid dat je hier komt?’

Ik grijns, kan weer praten en praat meteen te veel. ‘Cadeautje voor mezelf,’ kraam ik uit. ‘Morgen ben ik jarig. Dan word ik veertig. Tenslotte ben je nooit te oud om te leren. Veertig is het nieuwe dertig. Toch?’ Ik voel me stom en onhandig. Net zo stom en onhandig als gisteravond toen ik … En toen Richard daarna … Ik krimp in elkaar. Mijn oren suizen. Wat deed ik eigenlijk? O ja, ik snauwde. Dat had ik nooit mogen doen. Het was mijn eigen schuld. Niet aan denken. Niet nu. Als ik eraan denk word ik gek, krankzinnig. In plaats daarvan kan ik beter aan mijn stappenplan denken. Ik ben op de helft, bij stap drie.

‘Nou, dan ben ik de eerste die je feliciteert,’ hoor ik de man zeggen. ‘Dat is dan veertig euro.’

Ik lach om het getal en pak mijn pinpas.

‘Pinnen kan hier niet,’ zegt hij. ‘Cash graag.’

Dat had ik kunnen weten. Ik had het gelezen op de website toen ik vanmorgen de afspraak maakte. Opnieuw graai ik in mijn tas, op zoek naar mijn portemonnee. Richard heeft gelijk, ik ben een sloddervos. De inhoud van mijn tas is het bewijs. Ik geef de man vijftig euro. Hij duwt een verfrommeld briefje van tien, en een sleutel van een kluisje in mijn hand. ‘Tas en jas mogen niet mee naar binnen,’ zegt hij. ‘Veiligheidsoverwegingen, begrijp je?’

Ik aarzel. Ik houd er niet van om alles af te geven. Dat voelt kaal, niet compleet. Met lichte tegenzin prop ik mijn jas en tas in het kleine kluisje. Het sleuteltje stop ik in mijn broekzak. Ik denk dat er voor alles een eerste keer bestaat. Ook voor loslaten.

‘Oké, Tamara.’ Hij wijst naar links. ‘Die deur door. Have fun.’

Ik duw tegen een klapdeur.

Stap vier is het gevoel van het koude staal in mijn handen, het gewicht van een pistool en mijn vinger op de trekker. Ik heb nog nooit een wapen in mijn handen gehad. Zelfs niet dat van Richard. Zijn Walther is verboden voor mij. Richard zegt dat zulke dingen gevaarlijk zijn voor kleine, domme meisjes. ‘En jij … Tamara,’ zei hij gisteravond, ‘jij bent zo’n meisje.’ En toen snauwde ik. Ik denk aan dat moment en ik denk aan hem. Ik richt en schiet. Een lichte beweging van mijn vinger is voldoende. Ik schiet met scherp, is mij uitgelegd. En ook dat ik tien keer kan schieten. Ik schiet het hele ding achter elkaar leeg.

De tijd staat nooit stil. Soms kruipt ze, soms vliegt ze. Vandaag heeft ze vleugels. Straks komt Richard thuis. ‘Sorry,’ zal hij zeggen. ‘Sorry, schatje. Ik zal het nooit meer doen. Dat beloof ik.’ Daarna zal hij me in zijn armen nemen en smeken om vergeving. En ik zal hem vergeven. Tenminste, ik ga ervan uit dat het zo gaat, gewoon omdat het altijd zo gaat. Het is ons script. Vandaag moet het ook zo gaan, denk ik. Ik kijk op de klok. Ik heb haast en moet me aan de regels houden: het huis moet schoon, het bed ook. Richard houdt van een schoon huis en van een schoon bed. Daarna zal ik een heerlijke maaltijd maken, zijn lievelingsgerecht – lasagne. Het is de een-na-laatste stap.

Om kwart over zes dek ik de tafel en steek de kaarsen aan. Daarna schuif ik de gordijnen dicht en gooi wat houtblokken op het vuur. De wijnfles zet ik open op tafel. Dan kan de wijn op temperatuur komen, ademen. De kurk leg ik er schuin bovenop. Ik draag een rood linnen jurkje en rode pumps. Het staat stijlvol en elegant en is geschikt voor de gelegenheid. Mijn blik glijdt door de kamer, langs de sfeervol gedekte tafel. De kaarsen branden. Het vuur knettert. In de keuken klinkt de zoemer van de oven. De lasagne is klaar. Precies op tijd. Ik hoor een sleutel in het slot en draai me om naar de deur. Ik denk dat ik er klaar voor ben. Ben ik dat echt? Mijn hart slaat een slag over.

Het eerste wat ik zie als de deur opengaat is een enorme bos rozen in de kleur van mijn jurk, en dan pas het hoofd van Richard. Even verbaas ik me over zijn haar, dat zelfs na een dag werken nog steeds in een strakke scheiding zit. Aarzelend blijft hij in de deuropening staan en loopt dan langzaam naar mij toe. Ik denk aan mijn plan, ik denk aan het script, en zwijg. Vlak voor mij valt hij op z’n knieën. De bloemen liggen naast hem op de grond. Met twee handen grijpt hij mij om mijn middel en begraaft zijn hoofd in mijn buik. Het voelt alsof hij mij nooit meer los wil laten en ik denk: voor alles bestaat een eerste keer, Richard. Ook voor jou. Mijn lichaam voelt beurs. Zijn greep doet zeer. Hij mag het niet merken en ik dwing mezelf niets te voelen: geen pijn, geen emotie, helemaal niets. Het lukt me ook nog.

‘Het spijt me,’ mompelt hij. Ik voel de hete adem door mijn jurk op mijn huid. ‘Schatje, het spijt me zo. Ik zal het echt nooit meer doen, dat beloof ik. Vergeef me. Vergeef je me?’ Richard huilt. Mijn jurk wordt nat van zijn snot en tranen. En ik vraag me af wie hij echt is. Het is beter als ik dat niet doe. Ik maak zijn haar door de war, zijn altijd zo keurig gekamde haar, en duw hem iets van me af. Hij zegt er niets van. Op deze momenten vindt hij alles oké. Als ik maar niet boos op hem ben, als ik hem maar vergeef. Hij vraagt het nog een keer.

‘Ja …’ knik ik. Natuurlijk vergeef ik hem, en natuurlijk neem ik verrast zijn bloemen in ontvangst.

‘Het zijn er veertig,’ zegt hij, terwijl hij gaat staan.

‘Je bent het niet vergeten dus.’ Mijn hoofd rust tegen zijn borst. Ik hoor zijn hartslag, rustig en regelmatig. Zo anders dan die van mij. Zou hij het voelen? Ik hoop van niet.

‘Alvast voor morgen,’ fluistert hij in mijn oor en ik voel zijn adem in mijn nek. Hij legt zijn hand op mijn hals. Zijn vinger glijdt over mijn kaak. ‘Doet het nog zeer?’

Natuurlijk doet het zeer, hufter! ‘Valt wel mee.’ Ik pak zijn hand en druk een kus op zijn handpalm. ‘Kom, het eten is klaar. Ik heb lasagne gemaakt.’

‘Wacht even,’ zegt hij en hij pakt zijn Walther, ‘eerst dit ding in de kluis.’

Ik houd zijn hand vast. ‘Straks,’ zeg ik. ‘Dat kan straks.’

Hij schudt zijn hoofd en zegt dat ik een moordwijf ben.

Ik glimlach, knik en zeg dat ik dat weet.

Zou het erg zijn om oog in oog met de dood te staan? Is het überhaupt erg om dood te gaan? Ik wil er niet te veel over nadenken. Het is kwart voor twaalf. Over een kwartier ben ik jarig – einde deadline. We liggen op de grond: lepeltje, lepeltje. Ik voel de warmte van zijn bezwete lijf. ‘Heb je me gemist vandaag?’ vraagt hij.

‘Hm, hm.’

‘Zeg het,’ zegt hij. ‘Zeg dat je me hebt gemist.’

‘Ik heb je gemist.’

‘Braaf.’

Hij beweegt, kust mijn nek en zegt dat hij gaat douchen. Als hij opstaat en wegloopt kijk ik naar zijn naakte lichaam. Ik hou van hem. Mijn god, wat hou ik van hem. Bij de deur draait hij zich om. ‘Kom je ook?’ Hij geeft me een knipoog.

‘Ja, ik kom zo.’

Fluitend trekt hij de deur achter zich dicht. Ik rek me uit, ga zitten en sla mijn armen om mijn knieën. Mijn jurk vertoont kreukels en mijn pumps liggen in een hoek. Ik heb ze uitgeschopt toen Richard mij na het eten de slaapkamer binnendroeg. Ik huiver. Kippenvel staat op mijn armen. Zijn Walther ligt niet in de kluis, maar een paar meter verder. Vanuit de badkamer klinken vrolijke geluiden. Richard zingt altijd onder de douche. Hij vindt dat hij goed kan zingen. ‘Kom je?’ roept hij. Zijn stem schalt door de ruimte.

‘Ja,’ antwoord ik. ‘Ik kom eraan.’ Op mijn blote voeten loop ik naar de badkamer. Vochtige, warme lucht komt me tegemoet als ik de deur openduw.

Hier stopt het script, op deze drempel. Vanaf hier kan ik doen wat ik wil en zeggen wat ik wil – carte blanche. Ik leun tegen de deurpost met de Walther in mijn handen. Even blijf ik staan en pik seconden van de kostbare tijd; de laatste minuten waarin ik de kans moet grijpen om mezelf voor eeuwig te redden. Richard staat in een mist van water met zijn rug naar mij toe en zingt uit volle borst een zelfverzonnen lied. Hij is blij, hij is vrolijk, hij weet van niets. Ik denk dat ik hem haat. Nee, ik weet het zeker. Mijn god, wat haat ik die man.  ‘Je zingt vals,’ zeg ik en ik richt de Walther op hem. ‘Knettervals.’ Hij stop met zingen en draait zich om. Zijn mond gaat open en weer dicht, zijn ogen puilen uit. ‘Tamara, ben je gek geworden? Leg dat ding neer.’ Zijn stem beeft. Het water stroomt over hem heen en klettert op de vloer van onze inloopdouche. Ik zie dat zijn linker ooglid trilt. Dat doet het altijd als hij nerveus is.

‘Weet je hoe laat het is?’ vraag ik.

‘Leg alsjeblieft dat ding neer.’

‘Het is vijf voor twaalf.’

‘Wat zou het. Ik wil dat je dat ding neerlegt. Nu meteen.’

‘De klok tikt, Richard. De tijd rent.’ Ik sta bewegingloos, met gestrekte armen en denk aan de instructies die ik eerder die dag heb gekregen; beide voeten stevig op de grond, linkerhand ondersteunt de rechter, vinger los op de trekker, veiligheidspal los, richten en …

‘Potverdomme, Tamara. Luister naar me. Dit is niet leuk.’ Nu schreeuwt hij. Zijn stem klinkt dreigend en zijn ogen spuwen vuur. Hij zegt dat ik niet zo dom moet doen, dat het een kansloze actie is. En dat ik een heks ben, een rooie heks, dat zegt hij ook.

‘Nee, Richard. Je hebt gelijk. Het is inderdaad niet leuk. Het is al heel lang niet leuk.’ Mijn stem klinkt zelfverzekerd. Even laat ik de Walther zakken en zie ik hem opgelucht ademhalen en slikken. ‘Weet je,’ zeg ik, ‘een paar minuten geleden vroeg ik mij af hoe het zou zijn om dood te gaan. Maar nu ik hier sta … besef ik dat ik dat al weet. Ik ben namelijk al jaren dood, dankzij jou.’ Ik doe een stap naar voren. Dan strek ik mijn armen opnieuw en richt het wapen op zijn hoofd.

‘Tamara, alsjeblieft,’ snottert hij. ‘Denk na. Doe nou geen domme dingen. Dit kan je niet menen.’ Voor de tweede keer die dag valt hij op zijn knieën. Hij verandert van strategie. Hij smeekt, bidt, doet boete en kan geen kant uit. Hooguit twee stappen is de grens tussen hem en mij, tussen leven en dood.

‘Nee …’ zeg ik. ‘Ik meen het niet. Het zou inderdaad een kansloze actie zijn als ik jou een kogel door je kop zou jagen met je eigen Walther. Die eeuwige rust heb je niet verdiend. Die verdien ik.’ Ik zet de loop van de Walther schuin omhoog onder mijn kin. Mijn vinger ligt losjes op de trekker. Stap zes. Mijn tijd is om. Een lichte beweging is …


(Alle personages in dit verhaal zijn verzonnen. Elke gelijkenis met bestaande personen berust op toeval.)