Carolien Cramer

"Met mijn verhalen wil ik de lezer boeien tot op de laatste bladzijde"



"De Muze" staat in de top tien van de verhalenwedstrijd 2018 van Literairwerk en Museum Speelklok.

Te lezen in de bundel van Literairwerk en hieronder.

   Inkijkexemplaar


De Muze

‘Bent u Johannes de Meester? De meester-klokkenmaker?’ vroeg de man die voor de deur stond. ‘Ja, dat ben ik,’ antwoordde hij. ‘Wat kan ik voor u doen?’

‘Dan is deze voor u.’ De man overhandigde hem een enveloppe, draaide zich om en beende zonder verder iets te zeggen de straat uit. Johannes staarde hem na tot hij uit het zicht verdween. Hij zuchtte, keek naar de enveloppe en wist waarover het ging; hij moest opnieuw bewijzen dat hij niet alleen de Meester heette, maar er ook een was. Sinds jaar en dag mocht hij zich een meester noemen, ontwierp hij vernuftige klokken. Hij maakte de tijd. Johannes streek door zijn grijze haren. Eerlijk gezegd had hij er meer dan genoeg van om zich elk jaar te moeten bewijzen. Kon hij maar bedanken voor de eer. Hij zuchtte diep, haalde een dun velletje papier uit de enveloppe en las: ‘Geachte Johannes de Meester. De opdracht voor dit jaar luidt: ‘Laat de klokkentoren zingen voordat de haan kraait.’ Hoogachtend, het stadsbestuur.’

Welja, dacht hij. Toe maar. De klokkentoren en dat voor morgenochtend. Alsof het niks was. De grote toren stond er al eeuwen, het carillon gaf al jaren geen geluid, en nu wilden ze dat hij… Hij zuchtte opnieuw. Koortsachtig dacht hij na, trommelde met zijn vingers op het papier en staarde naar de opdracht. Zijn mondhoeken krulden omhoog. In zijn brein ontsproot een idee, een ondeugend, maar uitmuntend idee, vond hij. Deze opdracht was zijn kans, zijn vrijbrief. Hij lachte hardop. Johannes zou de toren laten zingen en hoe. Kon hij dat? Hij dacht van wel.

Die avond, toen het donker was, pakte hij zijn jas van de kapstok en verliet zijn huis aan de achterzijde. De flappen van zijn zwarte jas wapperden om hem heen terwijl hij zich door de schaars verlichte straten haastte. Zijn schaduw snelde hem vooruit. Hij hield van het donker en van zwart. Het maakte je onzichtbaar en dat was precies wat hij wilde. Op de hoek van een straat aarzelde hij. Schichtig tuurde hij om zich heen. Pas toen hij zich veilig waande, slokte de stilte van een verlaten steeg hem op.

‘Welkom,’ zei de vrouw met het rode haar toen ze hem binnenliet. ‘Dank u,’ zei hij. Meer wist Johannes niet uit te brengen. De vrouw lachte. Hij zag een glinstering van haar witte tanden tussen het rood van haar lippen. Van nature rood, dacht hij. Net als haar haar. Ze droeg een uitdagende glitterjurk en liep voor hem uit naar de kamer. Johannes zag de tierlantijnen, de fluwelen gordijnen en schraapte zijn keel. Het zweet brak hem uit. Hij was hier niet goed in; hij had het nog nooit eerder gedaan. Zonder te vragen vulde de roodharige vrouw het glas dat op tafel stond en schoof het naar hem toe. Hij dronk het in één teug leeg en proefde jenever. Het vocht brandde in zijn keel en slokdarm. Een warme gloed verspreidde zich door zijn lijf. Ze vulde het opnieuw. ‘Ik heet Mathilde,’ zei ze. Haar stem klonk hees. Haar boezem deinde op en neer. Hij gooide de borrel achterover. Nu moest hij zeggen waarvoor hij kwam, want anders… Met de rug van zijn hand veegde hij de zweetdruppels van zijn voorhoofd. Hij dacht aan de opdracht, hij dacht aan de vrijbrief en hij dacht dat ze het wel zou begrijpen. Toen hij zei waarvoor hij was gekomen, staarde ze hem ongelovig aan, nam een slok uit de fles en vulde zijn glas voor de derde keer. ‘Proost,’ zei ze. ‘Mathilde, luister,’ prevelde hij. ‘Ik heb niet veel tijd, maar…’

‘…een paar uur,’ maakte ze zijn zin af. ‘Ik begrijp het.’ Nu lachten ze allebei. Johannes haalde opgelucht adem en zei: ‘Laten we beginnen.’ Mathilde knikte en tuitte haar rode lippen.

Het was een paar uur later toen hij moe maar voldaan zijn bed instapte. Klokslag vijf uur had hij de toren laten zingen. Vier coupletten had hij ervan gemaakt. Vier ellenlange coupletten en een refrein: over bloedrode lippen, over een beneveld brein, over sappige, verboden vruchten, twee blanke heuvels en hoe schoon zij zijn. Hij grijnsde en zong fluisterend: ‘Zoet is haar geur, zoet is haar geur. Mathilde, mijn muze, doe open je deur. Gul is haar lach, nog guller haar gaven…’ Nu lachte hij hardop. Hij had het papier met de tekst her en der in de stad opgehangen en daarna had de haan gekraaid. Precies op tijd. Johannes geeuwde, trok de deken over zich heen en viel als een blok in slaap.

Iemand riep hem. Iemand bonkte op de voordeur. Johannes staarde slaperig naar de klok. Warempel, het was bijna half één. Hij had een gat in de dag geslapen. ‘De Meester? Bent u daar? Doe open.’ ‘Ja, ja,’ riep hij. Hij kwam eraan. Toen hij de deur opendeed stond dezelfde man als van een dag daarvoor op de stoep. ‘Johannes de Meester,’ zei hij. ‘Deze is voor u. Gegroet.’ ‘Ook gegroet,’ mompelde hij tegen de verdwijnende rug. Opnieuw stond hij met een enveloppe in zijn handen en opnieuw wist hij waarover het ging, hij werd op het stadhuis ontboden en moest op het matje komen.

In het stadhuis was het een drukte van belang toen Johannes binnenkwam. De hal stond vol met burgers, notabelen en nieuwsgierigen. Er klonk geroezemoes. Buiten zong de toren vijf lange minuten en sloeg daarna twee keer. Het geroezemoes zwol aan. Even later kwam het stadsbestuur de hal binnen, vier gewichtige mannen, in het zwart gekleed, de burgervader voorop. Zijn ambtsketen glinsterde op zijn borst. De menigte murmelde. De burgervader kuchte, rechtte zijn rug, haalde diep adem en zei: ‘Geachte aanwezigen.’ Met zijn blauwe priemogen keek hij in het rond. De stemmen verstomden.

Nu komt het, dacht Johannes. Nu komt de reprimande. Nu zou hij te horen krijgen dat hij buiten zijn boekje was gegaan en de titel als Meester niet langer verdiende. Hij zette zich schrap, deed zijn ogen dicht en dacht: het duurt maar heel even, daarna is het over. ‘Geachte Johannes de Meester,’ hoorde hij de man zeggen. ‘U heeft ons versteld doen staan met uw creatie. U heeft opnieuw bewezen een ware meester te zijn. Subliem! Het doet ons dan ook genoegen u vanaf heden te benoemen tot… Meester in vieze liedjes.’

Boem, deed zijn hart. Boem, boem, boem. Johannes knipperde met zijn ogen. De menigte juichte, applaudisseerde, riep bravo en duwde hem naar voren, tussen de burgervader en de mannen in het zwart. Johannes bekwam langzaam van de schrik en bedacht dat het best wel meeviel, dat het eigenlijk niet eens zo heel erg was om een meester te zijn. Want achter in de hal, daar zag hij zijn muze, de roodharige Mathilde, de lichtekooi. Ze tuitte haar lippen en lachte.


(Carolien Cramer © 2018)