Grand Finale

'Grand Finale' behaalde in 2019 de longlist van de jaarlijkse schrijfwedstrijd van uitgeverij LetterRijn.


De koplampen van mijn oude, grijze Volvo verlichten de weg langs het kanaal. Het asfalt glinstert van de pasgevallen regen. Ik knijp mijn ogen dicht. Een tegenligger verblindt mijn zicht. De hufter heeft zijn grote licht aan. Opletten, Victor Draaisma. Ik roep mezelf tot de orde en klem mijn handen om het stuur. Straks beland ik in de plomp. Niet handig in het donker en de winter. Krampachtig leg ik de laatste kilometers af naar Loenen aan de Vecht. Het begint opnieuw te regenen.

Enigszins nerveus rijd ik tien minuten later met knarsende banden over de met grind bedekte oprijlaan van het huis van tante Agaat. Het mens is dichter bij de honderd dan de negentig: ongehuwd, kinderloos en een icoon. Ik denk aan haar humeur, aan haar onvoorspelbare streken: ze kan je maken en breken. Godzijdank ben ik haar oogappeltje, ook al ben ik inmiddels een kale, corpulente zeventiger met een lege portemonnee, tante Agaat blijft zeggen dat ik anders ben: liever, gezeglijker, anders dan de rest. Ik denk aan de rest, steek in gedachten mijn middelvinger naar ze op en stap uit de auto. Terwijl ik naar de deur loop graai ik in mijn broekzak en vis de sleutel van de voordeur eruit.

Even later sta ik met zweethanden in de schemerige woonkamer. Mijn ogen wennen langzaam aan het vage licht en glijden langs de muren met het verkleurde bloemetjesbehang. Er is bijna geen ruimte in de kamer, het staat boordevol met antiek en tierlantijnen. Dat geldt ook voor de rest van het huis. In de hoek bij het raam zit tante Agaat in een oorfauteuil: haar troon. Zolang ik haar ken, en dat is m’n hele leven, zit ze naar mijn idee al op die stoel. De laatste jaren slaapt ze er ook. Dan trekt ze ’s avonds een plaid over zich heen en dommelt zo nu en dan weg tot de thuiszorg haar de volgende morgen komt wassen.

‘Dag, tante,’ zeg ik met ietwat onvaste stem. Tante Agaat biedt haar rechterwang aan. Ik buig me naar voren en kus de lucht. Haar witte haren kriebelen op mijn wang.

‘Waar is de rest?’ vraagt ze en ze kijkt langs me heen. Haar door ouderdom gekrompen lichaam ziet er breekbaar uit. Ze verdrinkt bijna in haar bloes. En haar magere handen glijden onrustig over de geruite plaid die over haar benen ligt. De neuzen van haar zwarte sloffen piepen eronderuit.

‘Bedoelt u Hugo en Floris?’ vraag ik. Ik weet donders goed wie ze bedoelt en denk aan de tweeling. Mijn drie jaar jongere broers. Ik zucht. Ze bezoeken haar nooit. Tante knikt bedachtzaam. Haar staalblauwe ogen kijken me teleurgesteld aan. Bij het licht van de schemerlamp lijken ze op die van mij.

Ze mompelt dat ze het vreemd vindt dat ik alleen ben. Ik ga er niet op in. Ze is in de war en heeft hulp nodig. De reden van mijn komst.

‘Vanavond ben ik alleen,’ antwoord ik kort, ‘zoals we hadden afgesproken. Weet u nog?’ Mijn stem klinkt schor. Ik lik langs mijn lippen. Mijn tong voelt stroef. Ze is vergeten dat ik zou komen. Wat nu? Zwijgend ga ik tegenover haar zitten en zak diep weg in de leren club. De stoel kreunt onder mijn gewicht. Ik voel me ongemakkelijk en veeg mijn zweterige handen af aan mijn spijkerbroek. Ik snuif en ruik de geur van vergane glorie. Gadverdamme. De kachel is loeiheet en er hangt een benauwde, bedompte lucht die past bij mijn gemoedsrust. Hier zitten maakt het er niet beter op. Integendeel. Op deze manier schuif ik het onherroepelijke voor me uit. Ik kan nog terug. Wil ik dat? Nee. Ik zeg tegen tante dat ik een kopje thee ga zetten. Ze knikt goedkeurend.

Ik laat de kamerdeur een beetje open staan en loop door de smalle, lange gang naar de kleine keuken. Daar trek ik mijn trui uit en rol de mouwen van mijn bloes op. De trui gooi ik achteloos over de houten keukenstoel. De enige plek waar nog ruimte is. Dan vul ik de waterkoker met water en zet deze aan. Uit het kastje boven de granieten wasbak pak ik de bus met theezakjes en een pak boterkoekjes. Ik scheur de plastic verpakking open. De koekjes rollen over het aanrecht, tussen de vuile borden en bestek. Met de achterkant van mijn hand veeg ik het zweet van mijn voorhoofd. Ik ben niet in de wieg gelegd voor dit soort werk.

Met trillende handen hang ik een theezakje in de theepot en rangschik onhandig wat koekjes op een glazen schaaltje. Daarna giet ik het kokende water in de pot en laat de thee een paar minuten trekken. Precies zoals tante het graag heeft. Met een vol dienblad in mijn handen loop ik terug en wacht voor de deur. Ik bevries. Ik overdenk de genomen maatregelen om alles in goede banen te leiden: de thee is sterk, zoet genoeg en het document ligt in de secretaire, voorzien van datum en een handtekening. Ik haal diep adem en duw met mijn voet de deur open. Even later schenk ik het zwarte vocht in een gebloemd kopje, leg een koekje op het schoteltje en zeg tegen tante dat ze de thee niet koud moet laten worden. Ik zit tegenover haar. Een krappe meter bij haar vandaan.

‘Wil je me helpen?’ vraagt ze zacht.

‘Tuurlijk, tante.’ Ik vlieg overeind en ondersteun haar hand. Tante fluistert tussen twee slokjes door dat ze me nooit zal vergeten. Ik zeg dat ik dat weet en houd haar hand vast. Ik breng het kopje naar haar mond en voel haar broze botten. De klok tikt. Ik wacht. Tegen middernacht scheur ik met groot licht over de weg langs het kanaal alsof de duivel mij op de hielen zit.

Het is vier weken later. De middagzon schijnt schuin naar binnen. Stofdeeltjes dansen door de ruimte. De lucht van mottenballen beneemt me bijna de adem en prikt in mijn keel. Ik schuif de donkerrode gordijnen aan de kant en zet het raam open. Buiten is het rond het vriespunt en er ligt een dun laagje, ongerepte sneeuw in de tuin. Ergens blaft een hond. En op de Vecht klinkt het monotone geluid van een motorboot. Ik adem een paar keer in en uit en ruik het water. Er waait een wind langs mijn nek. Het tocht. De kamerdeur staat wijd open. Tante liet hem altijd op een kier staan. Ik loop ernaartoe, doe hem dicht. Het voelt vreemd om hier weer te zijn. Hier zijn brengt me terug in de tijd. Ik huiver en kijk naar de lege troon met de deuk in de zitting. Niemand heeft het eeuwige leven. Zelfs tante Agaat niet. Ook al begon het er verdomd veel op te lijken toen ze de honderd naderde. God hebbe haar ziel. Ik voel me ongemakkelijk nu ik aan haar denk. Net of ze er nog is. Of ik haar nog hoor praten.

‘Dank je, Victor,’ zei ze toen ik haar die avond het kopje thee overhandigde. Op dat moment leek ze helder en goed bij haar verstand. Met haar tandeloze mond zoog ze aan het koekje en met kleine slokjes dronk ze haar thee. Tussendoor gaf ze me een knipoog. Het duurde een eeuwigheid voordat ze klaar was.  Ik herinner mij hoe ik een dik uur later alles opruimde, de afwas deed, de plaid over haar benen legde en haar welterusten zei. ‘Ga maar lekker slapen,’ zei ik. Ik weet alleen niet meer hoe ik thuis ben gekomen.

Ik kijk op mijn horloge. Het is bijna twee uur. Over een uur ga ik de rest ontmoeten. Vandaag hebben we een afspraak bij de notaris. Hugo en Floris: ik heb ze jaren niet gezien en gesproken. Ze vonden mij altijd een klaploper. Uit de broekzak van mijn donkere kostuum pak ik een pakje sigaretten, haal er een uit en steek hem op. Met de sigaret in mijn mondhoek loop ik naar de secretaire. De vloer kraakt onder mijn schoenen. De instructies van tante staan op mijn netvlies gebrand. In een van de laatjes achter de klep ligt het document. Ik draai het sleuteltje om en doe de klep open. Een voor een trek ik aan de laatjes en rommel tussen de paperassen.  Even later zit ik in de vensterbank met een witte enveloppe in mijn hand. Inhoud: de laatste wil van tante Agaat. Openmaken na mijn dood, staat erop.

‘Beschouw het als mijn afscheidscadeau,’ had tante gezegd toen we vorig jaar het document opstelden. Ze noemde het de erfenis. ‘Jouw erfenis,’ fluisterde ze, ‘voor als het zover is.’ Ze vroeg of ik begreep wat ze bedoelde. Ik knikte begrijpend.

Ik zucht. Waarom heb ik het gedaan? Omdat tante het aan me vroeg. Omdat ik haar de totale aftakeling wilde besparen. En omdat ik zo iemand ben die geen nee durf te zeggen. Ik wilde het beste voor haar. En voor mezelf. Dat ook. Ik sus mijn innerlijke onrust met de woorden: als leven lijden wordt … Ik scheur de enveloppe open, bedenk me en stop hem in de binnenzak van mijn colbert. Later, denk ik. Straks. Als we bij de notaris zijn. Dat is vroeg genoeg. Ik zuig aan de sigaret en blaas de rook naar het vergeelde plafond. In gedachten verzonken staar ik voor me uit. Ik denk aan tante Agaat. Sommige mensen leefden gewoon te lang.

Het notariskantoor bevindt zich in een monumentaal herenhuis midden in het centrum aan de rand van het dorpsplein. Ik parkeer mijn oude barrel op de privéparkeerplaats, naast een gloednieuwe BMW. Hugo zit achter het stuur. Floris zit naast hem. Ik heb ze nooit gemogen en zij mij waarschijnlijk ook niet. Ik zie hun volle, grijze haardos door het raampje en steek mijn hand op. We lijken geen spat op elkaar. We stappen vrijwel tegelijkertijd uit. ‘Hugo, Floris,’ weet ik uit te brengen.

‘Victor,’ zeggen ze eensgezind. Ze grijnzen en lopen achter mij aan in hun strakke pakken van Italiaanse snit. Gladjakkers. Nog voordat ik aanbel gaat de donkergroene houten deur vanzelf open. Een jonge, slanke brunette gekleed in een zwarte broek en rode bloes heet ons welkom. Ze stelt zich voor als Stefanie en neemt ons mee naar boven. Naar de eerste verdieping. Haar naaldhakken tikken op de marmeren trap. Klik, klak, klik, klak. Haar kont wiegt voor ons uit. Hugo en Floris stoten elkaar aan en gniffelen. Kansloze sukkels. De strakke, moderne inrichting van het kantoor van de notaris staat in schril contrast met de buitenkant van het pand. Lichthouten meubels en een Mondriaan aan de muur. Ik houd ervan. Het biedt perspectief voor het huis van tante Agaat.

Stefanie vraagt of we iets willen drinken: koffie, thee, cappuccino of espresso. Ze tuit haar rode lippen en kijkt ons vragend aan. Ze komt me vaag bekend voor. Ik voel een hoofdpijn opkomen en bedank. Hugo en Floris zijn het unaniem eens: ze willen een espresso. We nemen plaats op leren stoeltjes met wieltjes eronder aan een ovalen tafel en zitten zwijgend naast elkaar. Kort daarna komt de notaris binnen. Een blonde veertiger gekleed in een grijze broek en zwarte coltrui. De man heeft een sportief uiterlijk en een open blik in zijn blauwe ogen. Een voor een geeft hij ons een hand en condoleert ons met het verlies van Jonkvrouw Agaat van Looren de Jong. Hij zegt dat onze tante een bijzondere vrouw was.

We knikken. Ik en mijn broers zijn het met elkaar eens. Verbazingwekkend.

‘En daar hebben we de koffie,’ kraamt Floris uit als Stefanie klikklakkend met de espresso binnenkomt. De brunette glimlacht. Ik denk na. Waar ken ik haar toch van? Haar naam zegt me niets. Volgens protocol blijft ze tijdens de procedure aanwezig, wordt ons verteld. We knikken opnieuw. Ik vind het onzin. Hier hebben we niemand bij nodig. Ik heb alles tot in de puntjes geregeld. Ik meen het oprecht. Tante Agaat zou trots op me zijn.

Stefanie gaat tegenover ons aan tafel zitten en slaat met een elegant gebaar haar benen over elkaar. Hugo klakt met zijn tong. Loser. De notaris schuift zijn stoel aan de kant en blijft staan. Moeten wij nu ook gaan staan? Nee. We mogen blijven zitten. Hij haalt een USB-stick uit zijn tas tevoorschijn en steekt de geheugenstick in de zijkant van zijn laptop die verbonden lijkt te zijn met een flatscreen aan de muur.

Het zweet breekt me uit. Niet normaal. Tante Agaat verschijnt in vol ornaat in beeld. In levenden lijve. Gehuld in een donkerblauw gewaad en een parelketting om haar hals. Kaarsrecht zit ze op haar troon. Haar handen gevouwen in haar schoot. Haar mond een smalle streep. Het toonbeeld van aristocratie. What the fuck is dit? Hugo en Floris zitten onbeweeglijk op het puntje van hun stoel. Ik donder bijna van de mijne af. ‘Wisten jullie dit?’ hakkel ik. ‘Waren jullie …’

‘Sst,’ zegt Hugo.

‘Ja, hou je kop,’ doet Floris er een schepje bovenop.

De notaris zegt dat hij ons achter zal laten onder de hoede van Stefanie die op haar beurt plaatsneemt achter de laptop. Hij wenst ons een genoeglijk samenzijn. En met een kuchje komt tante Agaat tot leven: als een feniks uit de as herrezen.

‘Dag, Hugo … Floris … en Victor.' Haar stem kraakt als een oude grammofoonplaat door de ruimte, dringt in mijn poriën, kruipt onder mijn huid en laat mijn hart fladderen. Dit voelt niet oké. Shit.

‘Het doet me deugd dat jullie gebroederlijk naast elkaar zitten,’ kraakt tante. Ze zegt dat ze het reuze jammer vindt dat ze ons niet met eigen ogen kan zien omdat ze deze aarde heeft verlaten. Ik krijg spontaan een hoestbui en stik bijna. Floris slaat met kracht zijn platte hand tussen mijn schouderbladen. ‘Gaat het, ouwe jongen?’ vraagt hij. Ik meen zelfs te horen dat het sarcastisch klinkt. Ik piep dat het gaat en duw zijn hand weg.

Tante grijnst haar kunsttanden bloot en kijkt ons aan. Ze kijkt mij aan. Paniek. Nu mist mijn hart enkele slagen en slaat daarna op hol. Mijn rug is zeiknat. Het koude zweet loopt met een straaltje tot in mijn bilnaad. Tante lacht een zacht lachje. Haar gebit klappert in haar mond en ik zoek met trillende vingers naar de enveloppe in mijn binnenzak. Heb ik iets over het hoofd gezien? Onmogelijk. Ik wil het niet horen.

‘O ja, en Victor?’ kraakt de stem op het scherm.

Boem, doet mijn hart. Ik kijk op. Mijn mond valt open.

‘Heb je de enveloppe bij je?’

Bam. Nu lazer ik echt bijna van mijn stoel. Ik heb hem in mijn hand.

‘Ja? Mooi. Die mag je verscheuren.’

Ik gaap van tante naar de enveloppe en weer terug. Hugo en Floris gapen naar mij.

‘Heb je het gedaan?’

‘Jemig, man. Doe wat ze zegt. Hier met dat ding.’ Floris grist de enveloppe uit mijn hand en versnippert deze voor mijn ogen. Tantes laatste wil dwarrelt in snippertjes op de tafel en op de grond.

‘Verdomme, Floris,’ sis ik. ‘Wat doe je nu? Weet je wel hoe belangrijk deze brief is?’ Ik ga staan. Mijn ogen fikken als ik op hem neerkijk. Stefanie schraapt haar keel. Ik begrijp de boodschap. Omwille van haar zijg ik neer en zeg niets meer. Ik mok in stilte.

‘Goed, dat is dan geregeld,’ gaat tante verder. ‘Dan kom ik nu ter zake. Een paar weken geleden had ik met ieder van jullie een gesprek waarin ik jullie een vraag stelde.’  Verrek. Waren Hugo en Floris bij haar op bezoek geweest? En wanneer dan? Ik wist het niet. Ze had er niets over gezegd. Ik wist nog wel de vraag. Tante vroeg of ik haar wilde helpen met doodgaan voordat ze helemaal haar verstand verloor. Er zit een brok slijm dwars in mijn keel. Ik slik. Taai spul. Ik slik nog een keer. De hoofdpijn knalt als een pneumatische boorhamer door mijn hoofd en ik druk mijn handen tegen mijn slapen. Ik stond altijd voor haar klaar. Altijd. Ik buig naar voren en kijk naar de datum onderaan in beeld. Die is van krap een jaar geleden. Een week nadat ik het versnipperde document opstelde. Ik kan wel janken. Ik ben bang voor wat ik zo meteen te horen krijg, wat de rest te horen krijgt en wat de gevolgen daarvan zullen zijn. Deksels. Ik hang. Ze kan me maken en breken.

Stefanie vraagt belangstellend of het met me gaat. Ziet ze iets aan me? Ik mompel hoofdpijn. Waar ken ik haar toch van?

De tweeling geeft geen krimp. Zij hebben niets te vrezen. Als één front zitten ze naast elkaar en staren als wassen beelden naar het scherm waar tante Agaat zegt dat we haar niet hebben teleurgesteld. Ze hangen aan haar lippen.

‘Als je achtennegentig bent,’ zegt tante, ‘kent het leven geen verrassingen meer. Je weet hoe het spel gespeeld moet worden. Je kent de trucjes. En ik kende jullie trucjes.’ Het blijft even stil. Een pijnlijke, korte stilte. Tante friemelt nerveus aan de ketting om haar hals en hapert als ze verdergaat. ‘Daarom … laat ik mijn vermogen en bezittingen na aan degene … die naar eer en geweten handelde. Die altijd … voor me klaarstond. Dag en nacht.’ Ze kijkt me aan. Ze kijkt mij aan. Ik kan wel juichen. Er valt een last van me af. Ik hoef me nergens zorgen over te maken. Dit is gewoon een van haar streken. Wat een grand finale. Subliem!

‘Verdraaid,’ zegt Floris. ‘Pfff. Ik dacht heel even dat ze haar verstand had verloren. Dat we die erfenis mis zouden lopen.’

‘Ja, verdraaid, zeg dat wel,’ echoot Hugo. ‘Pfff.’ Hij kijkt theatraal naar het plafond.

Ik zeg dat ik dat ook dacht. Ze moesten eens weten. Mijn broers lachen. Ik lach mee.

Stefanie zet het beeld stil en wacht schijnbaar onbewogen tot we uitgelachen zijn. Ik zie een vage glimlach om haar rode mond. Na een minuut of twee vraagt ze of we verder kunnen. Ze tikt op haar horloge. Tijd is kostbaar.

‘Take drie,’ grapt Floris. ‘Shoot.’ We hikken nog na.

Tante ontdooit uit haar bevroren houding. Iemand overhandigt haar een brief. Ik zie een slanke hand. Roodgelakte nagels.

‘Huh, weten jullie wie dat is?’ vraagt Floris.

‘Smoel houden,’ commandeer ik. ‘Luisteren.’

Tante staart naar het papier in haar hand en smakt een paar keer. En met een bibberstem fluistert ze: ‘Mijn gehele vermogen inclusief het huis aan Loenen in de Vecht gaat naar Stefanie van Looren de Jong. Mijn aangenomen dochter en wettige erfgenaam.’

‘Nee!’ Ik bijt op de vingers van mijn rechterhand en smoor een heftige vloek. Verwarring alom. Hugo loopt rood aan. Binnen nu en tien seconden heeft hij zijn kookpunt bereikt. Ik ken dat nog van vroeger. Dan moest je maken dat je wegkwam. Hij schreeuwt dat hij wil weten wie die meid is, waar ze woont en waar de bewijzen zijn. Floris hangt verslagen op zijn stoel, ziet zo wit als een doek en jammert voor zich uit dat het oneerlijk is, dat het niet deugt, dat het absoluut niet correct is. Hij gaat er werk van maken. Vanuit mijn ooghoek zie ik dat Stefanie de laptop dichtklapt. De flatscreen floept uit. Met een stalen gezicht loopt ze op me af. De laptop onder haar arm. Als ze achter me langsloopt buigt ze voorover. ‘Chapeau,’ fluistert ze met hese stem in mijn oor en ze geeft me een schouderklopje. Ik zie haar bloedrode nagels en ik ruik haar parfum. Het ruikt naar lente, naar zomer naar … Ik ken haar. De trut. Ik ken haar in een wit uniform, op paarse crocs en met een uilenbril op haar neus. Stefanie is de vaste verzorgster van tante Agaat. Ik weet wie ze is en ik weet ook waar ze binnenkort komt te wonen. Zonder om te kijken wiegt Stefanie kalm en zelfverzekerd de kamer uit. Mijn knokkels zien wit als ik mijn vuisten bal. Ik kook van woede en zit trillend op mijn stoel. Als ik dit van tevoren geweten had, dan zou ik nooit …

‘En waar denkt zij dat ze naar toegaat?’ briest Hugo met het schuim in zijn mondhoeken. Hij springt overeind. Hij herkent haar nu ook.


Carolien Cramer © 2019