Carolien Cramer


Herinnering

'Herinnering' is gepubliceerd in de verhalenbundel Blind Vertrouwen van uitgeverij LetterRijn.


Ze zeggen dat je je weinig tot niets kunt herinneren van voor je vierde levensjaar. Ze zeggen zelfs dat herinneringen van voor je tweede levensjaar fictief zijn. Dat je die hebt verzonnen. Daar geloof ik niet in. Ik denk namelijk dat ik in het bezit ben van een fotografisch geheugen. Ik zie herinneringen. Ik droom erover. Elke nacht.

***

Ik ben precies zoals mijn moeder mij zich had voorgesteld. Mijn vader zegt dat ik op een popje lijk. Een popje met blozende wangen. En vandaag ben ik alweer twee weken bij hen. Ik ben hun Catootje. Mijn moeder zegt dat ik een lieve baby ben. Haar gezicht straalt als ze het over mij heeft. Ze boffen met mij. Ik slaap de hele nacht door. De klok rond. Van zeven tot zeven. De dokter noemt mij een uitzondering. Hij weet niet wat er in mijn voeding zit.

Het is avond. Ik lig op de schoot van mijn moeder. Mijn hoofd rust in de holte van haar arm. Ze wiegt me zachtjes heen en weer. Je moet drinken, fluistert ze in mijn oor. Toe dan! Ze duwt de speen van de fles in mijn mond. Helemaal tot achter in mijn keel. Ik zuig. Het is een reflex. Ik zuig tot ik geen adem meer krijg en spuug de inhoud van mijn maag in golven over haar heen. ‘Kindje,’ roept ze verschrikt. ‘Wat doe je nu?’ Ze duwt de speen weer in mijn mond en neuriet een liedje. Slaap, kindje, slaap.

***

‘Hoe heet je?’

‘Cato.’

‘En verder?’

‘Cato van Driel.’

‘Hoe oud ben je?’

‘Vijftien.’

‘Weet je wat voor dag het is?’

‘Vrijdag.’

‘Weet je wat voor jaar het is?’

‘1976.’

‘Weet je waar je nu bent?’

Natuurlijk weet ik dat. Ik ben niet gek. Ik ben hier. Ik doe mijn ogen open. Er staat een man met donker haar naast mijn bed. Hij draagt een witte jas en zegt dat hij een dokter is. ‘Je bent een poosje weggeweest,’ legt hij uit. ‘Buiten bewustzijn. Met een klein lampje schijnt hij even in mijn ogen. Hij vindt dat ik mooie, donkere kijkers heb en knikt goedkeurend. Je bent een knokker, zegt hij. Hij legt twee vingers op mijn pols en telt de slagen van mijn hart. Het zijn er vijfenveertig per minuut.

Ik ben bang voor dokters. Pasgeleden stopten ze een slang in mijn kont, zonder verdoving, helemaal tot in mijn darmen. Dat was erg. Dat deed pijn. Toen ging ik ook een poosje weg. Mijn moeder stond erbij en keek ernaar. Ze trok een gezicht alsof het haar overkwam, alsof zij met haar blote achterwerk op de onderzoekstafel lag. Nu is ze hier niet. Toch is het net of ik haar schaduw zie, achter glas, op de gang. Bonkend hart. Vijfenveertig keer. Laat het ophouden.

De dokter glimlacht en zegt dat ik niet bang hoef te zijn. Hij heeft een paar vragen. Ik hoef alleen maar te antwoorden. Zijn stem klinkt vriendelijk. Lijkt op die van mijn vader. Ik denk aan hem. Waar is hij eigenlijk? Toen ze me thuis weghaalden, zeiden ze dat hij zo snel mogelijk zou komen. Ik zag blauwe zwaailichten in de straat. Ik zag ook twee mannen in zwarte pakken. Ze reden een brancard naar binnen. Ik schreeuwde uit alle macht. Gilde in het wilde weg. Toen zag ik niets meer. Dat gebeurde allemaal vanmorgen vroeg, voordat het licht werd. Hoe laat is het nu?

Ik kijk om me heen. Kale kamer. Witte muren. Een tafel en twee stoelen. Gestreepte gordijnen voor de ramen. Gele deken op mijn bed. Een glimp van de vloer. Zeil. Een klok zie ik niet. Wat vroeg de dokter ook alweer? Ik voel een naald in mijn hand. Een infuus. ‘In een ziekenhuis,’ zeg ik zacht. Zo ruikt het ook. Een typische geur. ‘Waar is mijn vader?’ De dokter wil het niet zeggen. Dat komt wel. Later. En mijn moeder? Waar is zij? Ik vraag het niet. Ik heb buikpijn en proef de bittere smaak van gal in mijn mond. Met mijn tong lik ik over mijn lippen. Ze voelen gebarsten. Er zitten korstjes op. Het schijnt dat ik lange tijd niet heb gegeten. Of in ieder geval te weinig. Ik ben veel te mager. Maar daar gaan ze iets aan doen. De dokter geeft me een klopje op mijn been. Straks krijg ik eten. Yoghurt en fruit. Ze bouwen het langzaam op. Mijn maag draait om. Mijn buik beweegt. Ik voel me misselijk. Dit is niet mijn lichaam.  ‘Weet je wat er is gebeurd?’ vraagt hij. Dat had hij niet moeten vragen. Het wordt zwart voor mijn ogen. Ik hoor geluiden. Ik herinner mij de verkeerde dingen.

***

1962. Het is een koude winter met vorstbloemen op de ramen. Buiten ligt een dik pak sneeuw. De kachel brandt. Het is een oliekachel. Een zwarte. Mijn moeder zegt dat het ding gloeiend is. Ze waarschuwt. Steekt haar wijsvinger omhoog. O wee, als Catootje in de buurt van de kachel komt. ‘Weet je wat er dan gebeurt?’ vraagt ze poeslief. Ik schud nee. Ik ben één jaar en kan al lopen. ‘Kom,’ zegt ze en tilt me op. Ze zal het me laten zien. Ze is mijn moeder. Ik vertrouw haar. Ze loopt naar de kachel en hurkt. De onderkant van haar jurk raakt de vloer. Ik voel de warmte. Mijn wangen gloeien. Ze zet me neer en trekt mijn vestje uit. Ik draag een wit jurkje met pofmouwtjes en leun tegen haar aan. Haar haren kriebelen op mijn gezicht. Ze pakt mijn arm. ‘Voel maar,’ zegt ze.

***

De gordijnen zijn dicht. Het licht boven mijn bed is uit. Het is nacht en ik ben klaarwakker. Ik heb nooit goed kunnen slapen in een ziekenhuis. Met mijn vingers wrijf ik over de binnenkant van mijn arm. Ik voel de littekens. Ze zijn hard en ongelijkmatig. Mijn moeder vertelde tegen de dokter dat ik tegen de kachel was gevallen. Dat het een ongelukje was. Een dom ongelukje. Ik stond nog wankel op de benen. Dan gebeurden zulk soort dingen. Ze keek er heel onschuldig bij. Met tranen in haar ogen. De dokter geloofde haar. Hij geloofde haar altijd. Totdat hij haar niet meer geloofde. Toen kregen we een andere dokter. En daarna nog één en nog één. Ik ben de tel kwijt. Plotseling piept de deur. Ik zie een schaduw. Een beweging. Mama. Komt ze me halen?

‘Het spijt me, Cato,’ zei ze vanmorgen. ‘Maar dat kan ik niet doen.’

Ik blijf het maar horen.

En toen …

Nu hoor ik zachte voetstappen in mijn kamer. Nee, ik wil nergens heen. Houdt het dan nooit op? Ik trek de deken over mijn hoofd en durf bijna niet te ademen. Mijn hart fladdert. Mijn keel staat in brand. Elke beweging doet zeer. Ik heb me vaker zo gevoeld. Dat schijnt erbij te horen als je aan de dood bent ontsnapt. Je lijf moet dan weer wennen aan het leven. Dan doet alles zeer.

‘Cato?’

Het is een zuster.

'Slaap je?’

Ze staat naast mijn bed. Het licht van een zaklamp schijnt door de deken heen. Ik doe alsof ik slaap en gluur stiekem tussen mijn wimpers door. Net doen alsof is vermoeiend. Dat houd ik niet lang vol. ‘Zal ik even bij je komen zitten?’ vraagt ze. Ze heeft wel even tijd. Het is een rustige nacht. ‘Draai je maar even om.’ Voorzichtig ga ik op mijn rug liggen. Ik zie een vriendelijk gezicht omringd door krullen. Bolle wangen en blauwe ogen. Ik vind haar knap. Hoe oud zou ze zijn? Ze bolt het kussen achter mijn hoofd op. Strijkt een haar uit mijn bezwete gezicht. Morgen gaan ze mijn blonde lokken wassen. Mag ik douchen. Dan zal ik me anders voelen. Beter. Maar nu moet ik slapen. Ze weet niet dat ik dat niet durf. Niet zolang ik niet weet wanneer mijn vader komt. Ze schuift een klapstoel naast mijn bed en gaat zitten. We zwijgen. De zuster glimlacht naar me. Ze kijkt me rustig aan. Ik doe mijn ogen dicht. Help me! Ik krijg geen lucht.

***

Het is bedtijd. Vannacht komt mijn moeder bij me liggen. Op de slaapbank in de huiskamer. Dat moet omdat ik hoge koorts heb. Omdat ik een waterpokkeninfectie heb. Omdat ik dood kan gaan. Mijn moeder barstte bijna in huilen uit toen de dokter dat zei. Hij is deze week al zeven keer geweest en zegt dan telkens tja. Hij staat voor een raadsel. Ik wil nog lang niet dood. Ik ben nog maar een peuter. Ik ben bang en poep in mijn katoenen luier. En er is niemand die er iets aan doet.

De volgende morgen, als mijn vader weg is, smeert mijn moeder de poep over de waterpokken, net zolang tot ze bloeden. Dat stinkt. Dat schrijnt. Dat doet vreselijk zeer. Ze legt een hand over mijn mond, knijpt mijn neus dicht en zegt: ‘Arm kind, Catootje toch. Niet huilen.’ Ik kleur langzaam blauw. Ze lacht naar me als ze me even later in een badje met warm water dompelt en vervolgens loslaat. Met haar armen over elkaar kijkt ze toe hoe ik spartel. Hoe ik verzuip. Ik ga kopje onder. Ineens doet ze een greep, vist me ruw aan mijn arm uit het water en drukt een kusje op mijn neus. Ze moet me even alleen laten, fluistert ze. Ze moet naar de telefooncel op de hoek van de straat. De dokter bellen. Ze legt haar hoofd op mijn borst en luistert. Een kwartier later lig ik schoongewassen en met koortsogen in mijn ledikantje. Onder een dikke deken. Nat van het zweet. Het duurt een hele poos voordat ze terug is.

***

‘Inademen.’

Ik adem in.

Waarom hebben ze mij niet eerder thuis weggehaald?

‘Adem vasthouden.’

Ik stop met ademen en voel de koude plaat van het röntgenapparaat op mijn blote huid.

Waarom heeft niemand iets gemerkt?

‘Adem maar door.’

Ik blaas de lucht uit mijn longen. Ze hebben twintig foto’s gemaakt. Waarom geloofde mijn vader me niet? Ik vertelde hem dingen die hij niet wilde horen. Die ik niet kon weten. Hij zei altijd dat mijn moeder het beste met me voorhad. ‘Rare,’ zei hij. Hoe kon ik daaraan twijfelen? Hij vertrouwde haar zijn dierbaarste bezit toe. Mij. Zijn kind.

Ze rijden me terug naar de afdeling. Het is een raar gevoel als je in een bed ligt dat beweegt. Ik zie de tl-verlichting aan het plafond. De tekeningen aan de muur. Micky Mouse en Donald Duck. Ze schieten voorbij. Ik denk aan dingen verzinnen. Fantaseren. Aan overleven. Het is bijna net zoiets als je bewustzijn verliezen, als een poosje weg zijn. Nergens zijn. Hoe zou het met me zijn gegaan als ik geen knokker was geweest?

***

De ramen zijn beslagen. Het ruikt naar eten in huis. Naar knolraap. Mijn moeder staat in de keuken en warmt een prakje op. Er staat een bordje boven op een pan met kokend water. Het staat te stomen. Ze roept dat het bijna klaar is en steekt haar hoofd om de hoek van de huiskamerdeur. Verhitte wangen. Vlekken in haar hals. Een waakzame blik in haar ogen. ‘Een paar minuten nog, Cato. Nog even geduld.’ Het enige wat ze nog moet doen is mijn medicijnen fijnmalen. De tabletten van de dokter en de limonade mixen, zegt ze. Dan smaakt het minder vies. Ze glimlacht lief en trekt haar hoofd terug.

Ik lig in een bedje op de bank, onder een wit laken en een roze deken. Pal voor het raam. Zodat iedereen kan zien hoe ziek Catootje is: de bakker, de melkboer, de groenteman en de buren. Naast mij, op de grond, staat een plastic emmer. De spuugemmer. Ik ben ziek in mijn buik. Ik ben langzaam aan het verdwijnen. Volgens mijn vader kun je m’n ribben tellen. Hij maakt zich ernstig zorgen. Dat zegt hij elke dag. Ze weten het niet meer. Ze weten niet wat mij mankeert. Hij maakt me bang als hij dat zegt.

‘Een hapje voor mama.’

Mijn moeder brengt een lepel naar mijn mond. ‘Lieve Cato, eet alsjeblieft.’

Hap, kauw, slik.

‘Een hapje voor papa.’

Ze doet alsof ik een klein kind ben. Ik ben al tien.

Hap, kauw, slik.

Ze gaat maar door. Nog drie happen. Nog twee en de laatste. Grote meid. Een halfuur later hang ik met mijn hoofd boven de emmer. Kots ik tot er niets meer te kotsen valt. Mijn maag trekt samen. Mijn pyjama is nat van het zweet. Ik crepeer van de pijn. ‘Stil maar.’ Mijn vader zit naast me. ‘Rustig.’ Hij houdt m’n hand vast. Mijn moeder kermt. Ze ziet me langzaam doodgaan. De medicijnen werken niet. Er moet iets aan gedaan worden. Ik denk aan de mensen die me binnenstebuiten keren. Die naalden en slangen in me steken. De omgeving beweegt. Deint op en neer. De wereld verdwijnt. Ik ga mee. Gewichtsloos. ‘Cato.’ Iemand schudt mij door elkaar. Iemand slaat met vlakke hand in mijn gezicht.  Er gaat een rilling door mijn lijf. Ik kan niet meer. Het is genoeg. Vaarwel. Ons huis verandert in een paleis en ik in een prinses. Ik dans door het doolhof van gangen.

***

‘Wat zegt ze?’

Praat ik hardop?

‘Over wie heeft ze het?’

Over mijn moeder.

‘Geloof jij wat ze zegt?’

Stilte.

‘Nee, zoiets doen moeders niet.’

Die van mij wel.

Ze denken dat ik droom.

‘Cato!’

Ik kan jullie horen.

‘Cato?’

Ik wil jullie niet zien.

Ze komen mijn bed verschonen.

Gaan jullie maar weg. Als jullie niet geloven wat ik zeg.

***

Vandaag wordt mijn moeder begraven. Hoe zou dat zijn? Met klokgelui. Met voetstappen op het grind. Met speeches bij het graf over een aardige mevrouw, een goede echtgenote en een voortreffelijke moeder. Ze spreken vast over de hemel. Van de doden niets dan goeds. Als ik ergens een hekel aan heb is het daaraan. Ze kennen haar niet echt. Niet zoals ik haar ken. Ze verdient de hel. Ik stel me voor hoe ze er nu uitziet en knijp mijn ogen stijf dicht. Mijn moeder ligt in een kist met witte bekleding. Een kussen onder haar hoofd. Haar handen gevouwen op haar buik. Wat voor kleren heeft ze aan? De nachtpon met blauwe bloemen? Mijn hart gaat tekeer en ik zie sterretjes. Of de zondagse jurk met lange mouwen? Waarom kan ik haar niet zien? Ik moet niet fantaseren. Ik moet proberen te slapen.

Stil maar. Rustig. Slaap lekker. Gisteren zei de dokter dat alles anders zou worden. Hij ging op de rand van mijn bed zitten en vertelde dat mijn moeder dood was. Ik zei niet dat ik dat al wist. Stil zat ik naast hem. In mijn pyjama. Net als nu. Mijn benen bengelden over de rand. Bleek en dun. Net als nu. Mijn voeten tintelden en prikten. Ik voelde het bloed stromen. Het was een gek gevoel. Net als nu.  ‘Je moet me alles vertellen,’ zei hij. ‘Alles wat je je kunt herinneren.’ Dat was belangrijk. Hij zuchtte diep en keek me ernstig aan. Moest ik hem de waarheid vertellen? En wat als hij me niet geloofde? Wat gebeurde er dan met mij? Ik staarde naar mijn tenen. Ze werden langzaam blauw. Of verbeeldde ik me dat? ‘Je moeder, Cato,’ drong hij aan. ‘Vertel me alles over je moeder.’

Ik zie haar nu. Ze is niet mooi om naar te kijken. Vandaag is ze zeven dagen dood. Ik mis haar niet. In gedachten beleef ik opnieuw de laatste minuten van haar leven. Het is een herinnering.

***

Het is nog donker buiten als ik wakker word. Een nieuwe dag. Ik hoor iemand lopen. Boven mijn hoofd kraakt de vloer. Mijn moeder staat altijd als eerste op. Is als eerste beneden. Het is zes uur. Nooit eerder. Nooit later. Altijd zes uur. Ik ben al heel lang niet meer boven geweest. Dat kan ik niet. De lamp in de gang floept aan. Ik zie het licht onder de kier van de kamerdeur. Mama. Ze komt niet binnen.

‘Mama?’

Dat doet ze nooit. Ze loopt altijd door naar de keuken. Ze steekt het gas aan. Zet een pan op het vuur. Dekt de tafel. Ik ruik de geur van warme melk met anijs. Nu loopt ze naar de kelder. Ik hoor het piepen van de deur. Dertien treden naar beneden. Dertien treden omhoog. En weten wat daar tussenin gebeurt. Wat niemand mag zien. Wat niemand mag weten. Geen wonder dat ze me niet geloven. Ik sla de deken terug. Ik heb maar één minuut. Zestig seconden zijn zo voorbij. Koud zweet op mijn rug. Licht in mijn hoofd. Mijn blote voeten staan op de grond. Op de zachte vloerbedekking. Ik sta te trillen op mijn benen. Voetje voor voetje schuifel ik naar de deur, doe hem open.

‘Wie is daar?’

Ik ben het. Cato.

Mijn moeder komt gehaast naar boven lopen. In een blauwe duster. Haren in de war. Eén hand aan de leuning. De andere achter haar rug. Ze ademt zwaar. Hijgt. ‘Wat doe jij nu hier?’ Verbazing. Ongeloof op haar gezicht. Ik heb haar laten schrikken. ‘Liefje,’ stamelt ze met een rood hoofd. ‘Je kunt niet lopen. Niet alleen. Dat is gevaarlijk.’

Ik kan het wel.

‘Je weet toch hoe zwak je bent?’

Ik heb me nog nooit zo sterk gevoeld.

Ik zeg dat ze moet stoppen en wijs naar de hand achter haar rug. ‘Mama alstublieft.’ Ik weet wat ze verbergt.  ‘Wat bedoel je? Wat praat je raar.’ Ze gaapt me aan. Gaat het wel goed met me? Moet ze soms de dokter bellen? Ze weet echt niet waarover ik het heb. Ze praat snel. ‘Kom,’ zegt ze. Ze laat de leuning los en strekt haar hand naar me uit. ‘Mal kind.’ Ze zal me naar bed brengen. Het is nog vroeg. Nog even onder de wol. Ze zal me een bordje pap brengen. Liga pap met suiker. Dat doet ze toch altijd? Ze lacht een zacht lachje. Het klinkt gemeen. Ik denk aan anijs. Aan warme melk met een vel. Aan twee liga’s op een bord en zes scheppen suiker. Aan het flesje in de hand van mijn moeder. ‘Mama, niet doen. Alstublieft niet meer.' Ze heeft een gekke blik in haar ogen. Ze zegt dat het haar spijt, maar dat ze onmogelijk kan stoppen. Niet nu het bijna zover is. Ze grijnst.

Ontsnappen, denk ik. Hoe? Nu?

Nu of nooit. Ik neem een diepe hap lucht. Met een laatste krachtinspanning doe ik een stap naar voren en duw met twee handen tegen haar borst. Het gaat allemaal erg snel. Ze maakt geen geluid. Zelfs geen gil. Ze smeekt niet om vergeving. Daar heeft ze geen tijd voor. Het was een harde duw. Ze stuitert achterover naar beneden. Eén keer. Twee keer. Drie keer. Pats. Boem. Krak. Ik hoor het geluid van brekend bot op een stenen keldertrap. Nu weet ik hoe dat klinkt. En dan een doffe plof. Er ligt een blauwe duster op de vuile vloer van de kelder in de vorm van mijn moeder.

Stilte. Volgens mij is ze dood. Ze ligt op haar rug. Er loopt een straaltje bloed uit haar mond. Ze heeft ogen van glas. Dag mama. Mijn benen worden slap. Mijn hoofd zoemt. Ik val flauw. ‘Cato! Nee!’ Een schreeuw. Ineens voel ik de armen van mijn vader. Hij vangt me op. Stil maar. Hij gelooft me. Rustig. Het komt goed. Het is niet mijn schuld.

***

Ik weet nu dat het nog jaren kan duren voordat mijn vader komt. De politie heeft hem opgepakt. Hij zit vast voor de moord op mijn moeder.


(Alle personages in dit verhaal zijn verzonnen. Elke gelijkenis met bestaande personen berust op toeval.)