Carolien Cramer

Inzending Literatuurprijs Amsterdam Nieuw-West 2019


De legende van Lutkemeer


Gijsje rent over het klinkerpad. Zijn klompen klepperen op de keien. De kinderen uit het dorp, een handjevol, roepen hem na, jouwen hem uit. Ze noemen hem een bleekscheet, een melkmuil en erger. De achtjarige Gijs rent zo hard hij kan. Met één hand houdt hij zijn broek vast, anders zakt deze van zijn billen. Een felle oostenwind snijdt in zijn gezicht en maakt zijn rode wangen nog roder. Hij rent tot aan de zandweg en verder, tot hij adem tekort komt, tot de longen uit zijn lijf barsten. Pas dan staat hij stil, buigt voorover en kotst zijn hele ziel en zaligheid op de graskant langs het water, en over de neuzen van zijn klompen. Hij kokhalst van de zure smaak in zijn mond. Snot loopt uit zijn neus. Met de achterkant van zijn hand veegt hij het weg. Het laat een plakkerige streep achter op zijn wang. ‘Hoerenjong,’ hadden ze gezongen. ‘Gijsje is een hoerenjong, wiens moeder in het water sprong.’ Het deuntje echoot in zijn hoofd. Daarna waren de kinderen honend en lachend richting de huizen gerend. Toen was hij ook gaan rennen: de andere kant uit, naar het water, naar het Lutkemeer. Ook al had zijn moeder gezegd dat hij dicht bij huis moest blijven, dat het kon gaan sneeuwen.

Gijs gaat aan de waterkant zitten. Zijn klompen stinken: ze ruiken naar spuug. Een voor een trekt hij ze uit en veegt ze schoon aan de halmen van het vochtige gras. Hij denkt aan de jouwende kinderen, waar hij niet meer aan wil denken, want als het waar wat zij zongen: dat zijn moeder in het water sprong. Wie is dan de vrouw die thuis het eten kookt, de was doet en die hij moeder noemt? Hij balt zijn vuisten en vloekt, ook al weet hij dat vloeken niet mag. Het is hem verboden door zijn moeder, en door Onze Lieve Heer. Toch zegt hij drie keer sakkerju en schreeuwt de woorden over het water. Daarna gaat hij achteroverliggen tussen het hoge riet en vouwt zijn armen onder zijn hoofd. De stengels prikken door zijn blauwe kiel in zijn lijf. Het deert hem niet. Hij draait op zijn zij en krult zich op. Als de smid uit Raasdorp hem vindt, verkleumd en koud tot op het bot, ligt de schaduw over het water en vallen de eerste witte vlokken op het land.

Thuis stopt zijn moeder hem zwijgend in de tobbe, en boent zijn huid tot deze gloeit, tot hij bijna au zegt. Door zijn wimpers gluurt hij naar de kleine, gezette vrouw met het bezwete gezicht. Eigenlijk durft hij het niet te vragen, maar hij vraagt het toch. ‘Moeder,’ fluistert hij. ‘Moeder, ben ik een hoerenjong?’ ‘Mal kind,’ zegt ze. ‘Hoe kom je daar nou bij?’ Haar handen vallen stil. Dan ziet hij zijn moeder huilen. Ze krijgt roodomrande ogen.

Het is ruim twintig jaar later, in 1864, als de vreemdeling verschijnt. Het nieuws gaat als een lopend vuurtje: er staat een man aan de oever van het Lutkemeer, een vreemdeling. De vreemdeling voelt de ogen van de dorpelingen in zijn rug prikken, en hij hoort ze smiespelen. Maar hij kijkt niet op of om, en stopt zijn handen in de zakken van zijn nette, zwarte broek. Zweetdruppeltjes parelen op zijn voorhoofd. Zijn blonde haren kleven eraan vast. De zon schijnt en de schittering op het water doet zeer aan zijn ogen. Hij knijpt ze een beetje dicht en filtert het licht door zijn wimpers.

Een zachte bries verkoelt even zijn verhitte gezicht en hij recht zijn rug. Hij voelt zijn hart tegen zijn borstkas bonken, met regelmatige en krachtige slagen. Achter hem sist en puft het gemaal een ritmisch geluid en blaast witte wolken over het laagstaande water. Het geluid doet hem denken aan de stoomtrein van Amsterdam naar Haarlem. Die klinkt hetzelfde, denkt hij. Precies hetzelfde.   

‘Zeker niet van hier?’ hoort hij plotseling zeggen.

Hij kijkt even opzij, naar de kleine, kale man die naast hem is komen staan. De man komt amper tot zijn schouder.

‘Nee,’ antwoordt hij. ‘Niet van hier.’

Hij ziet de diepe groeven in het gelaat, de vingers met rouwranden en de met olie besmeurde broek. Zijn leeftijd kan hij moeilijk schatten, maar vast niet veel ouder dan hij.

De man haalt een langwerpig metalen doosje uit zijn beduimelde broekzak, plukt er een stuk pruimtabak uit, propt dat in de binnenkant van zijn wang en zegt kauwend: ‘We zien hier niet vaak anderen. Wat brengt u hier, vreemdeling?’

De vreemdeling kijkt weer recht voor zich uit, schraapt zijn keel en antwoordt dat hij voor het gemaal komt. ‘Ik wilde het graag eens zien,’ zegt hij. Er valt een stilte. Hij vindt het niet erg: de stilte is zijn vriend. In gedachten verzonken staart hij naar het drassige land dat langzaam van het water wint, en denkt er het zijne van.

‘Daar,’ doorbreekt de man het stilzwijgen. ‘Daar woonde Trijntje.’ Zijn smoezelige vinger wijst naar de overkant, naar een grote boerderij met een rieten dak. ‘Kent u het verhaal?’

Hij kent het, maar zegt nee.

‘Ze is een legende.’

‘Wie zegt u ook alweer? Wie woonde daar?’

‘Trijntje Meijer, de dienstmeid,’ toetert het in zijn oor. ‘Op een koude winternacht baarde ze een hoerenzoon en verdween.’

‘Zo zo. Werkelijk?’

‘Ja, en niemand zag haar ooit weer. Men zegt dat ze in het water is gesprongen, dat ze is verzopen.’ Hij rochelt en spuugt een bruine fluim in het gras.

De man staat zo dichtbij dat hij zijn adem kan ruiken: een combinatie van sterkedrank en tabak. Er gaat een rilling door zijn lijf en hij doet een pas opzij.

‘Hier, in het Lutkemeer,’ gaat de man verder en hij rolt met zijn tong door zijn mond. ‘Ze was toen amper vijftien jaar. Men zegt ook dat de boer zich aan haar heeft vergrepen, dat het kind van hem was en dat hij haar daarna…’ Nu grijnst de kerel al zijn bruingele tanden bloot en strijkt met zijn rechterwijsvinger van links naar rechts langs zijn keel.

De vreemdeling begrijpt het gebaar maar al te goed en doet nog een stap opzij. Hij kan de lucht niet langer velen.

‘En het kind?’ fluistert hij. ‘Wat gebeurde daarmee?’

‘Tja.’ Met een nonchalant gebaar krabt de man over zijn ongeschoren kin. ‘De rijke, vrome boer van Ravenswoud kon zijn broed niet verdragen, maar verzuipen kon hij het ook niet. Dus gaf hij het schreeuwende hoopje mens aan zijn vrouw. Die moest er niets van weten en legde het kind in Raasdorp neer. Zomaar midden op het plein, op de koude keien. Voor de liefhebber. Snapt u?’

Hij knikt. Hij snapt het.

‘Het is maar een legende, hoor,’ vergoelijkt de man zijn sappig vertelde verhaal. ‘Dat is wat het is.’ Daarna haalt hij zijn schouders op, stopt de handen in de zakken van zijn vieze broek en spuugt een klodder voor zijn voeten. Het ding glimt in de zon.

Opnieuw knikt hij en tuurt een poosje zwijgend over het water. Het Lutkemeer wordt drooggelegd. De aanblik stemt hem weemoedig: hij moet terug naar de stad, hij is hier lang genoeg geweest. ‘Ik moet gaan,’ zegt hij en hij kijkt kort opzij. ‘Bedankt voor het verhaal.’ Dan draait hij zich abrupt om en loopt langs het stoomgemaal richting het klinkerpad. Als hij daar is aangekomen, roept de man hem na. ‘Vreemdeling, wacht,’ hoort hij. ‘Hoe heet u eigenlijk? Wat is uw naam?’

Met de rug naar hem toe blijft hij staan. ‘Gijs,’ roept hij over zijn schouder. ‘Gijsbert Meijer heet ik.’ Bij wijze van groet tikt hij even met zijn hand tegen de rand van zijn pet en loopt dan weer verder: met zijn handen losjes naast zijn lichaam. Hij verdwijnt uit het zicht.

‘Verdulleme,’ vloekt de man die aan de waterkant staat binnensmonds. ‘Verdulleme nog eens aan toe.’ Ineens herinnert die zich het deuntje uit zijn kindertijd en hoe hij lachend met zijn klompjes aan op het dorpsplein stond. Ja, hij herinnert zich het hoerenjong, en ziet hem in de verte gaan.

Jaar na jaar verstrijkt. Het water wordt land. Mensen komen en gaan en alles verandert. Behalve het verhaal van Trijntje Meijer. Dat verandert nooit: het wordt nog steeds verteld. Want ergens tussen Halfweg en Lijnden, midden in de polder, staat een grijze, verweerde steen met daarop haar naam. En voor wie de waarheid echt wil weten, kan haar verhaal daar lezen: De legende van Lutkemeer


Trijntje Meijer, zo gaat het verhaal

Ze baarde ooit een hoerenjong

Waarna, ze ter plekke van het stoomgemaal

In het koude water sprong


Een rijke boer, men zegt, de vader van het kind

Verguisde zijn broed

Hij waste zijn handen in onschuld

Het water kleurde rood van het bloed


Doch bij de drooglegging van het Lutkemeer

Werd in de drassige grond het lijk van Trijntje gevonden

En kwam de waarheid aan het licht

De arme meid, ze was aan handen en voeten gebonden


(Carolien Cramer © 2018)