'Roulette' is het winnende verhaal van de Hebban Thriller Magazine schrijfwedstrijd 2019


ROULETTE

‘Hé, Eric, knakker,’ klinkt het amicaal. ‘Kunnen we er niet gewoon over praten?’ Ik kijk naar de vent die voor me loopt. Hij kijkt achterom en lult aan een stuk door. Vincent, heet hij. Vincent de Jongh. Succesvol makelaar, een veertiger. We zijn van dezelfde leeftijd. Zijn blauwe overhemd vertoont vochtige plekken op zijn rug en zijn kale kop glimt als een biljartbal. Ik kan zijn zweet ruiken. Bah.

‘Voor je kijken,’ zeg ik. ‘Doorlopen en je bek houden.’ De zon brandt er genadeloos op los. Het braakliggende terrein, een verlaten natuurcamping, ligt midden in het bos. Het is een ideale locatie maar lijkt wel een woestijn op deze zomerse dag in augustus. Mijn blonde haren kleven op mijn voorhoofd en ik voel een straaltje vocht over mijn buik lopen. Mijn spijkerbroek plakt aan mijn benen. Ik heb het bloedheet en vervloek de hitte. Vincent houdt eindelijk zijn bek en sjokt door. Mijn bevelen lijken te werken. Zijn gezette lijf ploetert zich voort door het mulle zand. De vent heeft een conditie van niks. Ik loop twintig passen achter hem. Met mijn linkerhand veeg ik het zweet van mijn voorhoofd. Met mijn rechter klem ik het wapen vast. Mijn vinger ligt nog net niet op de trekker. Ik laat Vincent nog zes passen doorlopen en roep dan dat hij stil moet staan.

‘Draai je om,’ beveel ik. Vincent draait zich om.

‘Ga op je knieën zitten.’ Hij zakt in het zand.

‘Doe je handen achter je hoofd.’ Hij doet alles wat ik vraag. Zijn bloes hangt over de rand van zijn zwarte broek. Ik zie een stuk van zijn blote buik, zijn navel. Gadverdamme.

‘Eric,’ piept hij met hese stem. En nog een keer: ‘Eric?’

‘Ja?’ zeg ik kalm. Ondertussen controleer ik mijn wapen. Met mijn duim schuif ik over de veiligheidspal. Het ding zegt klik.

‘Je schiet toch wel met losse flodders, hè?’ Vincent kijkt me aan. Grote, bruine ogen. Bleek gezicht.

‘Tuurlijk, kerel. Tuurlijk. Dat doen we toch altijd?’ Het is een gevaarlijk spel dat we spelen. Op basis van vertrouwen. We spelen het al jaren. Dit jaar voor de tiende keer. Ik blaas in de loop van de Glock en denk aan vorig jaar. Toen joeg hij me door een leegstaand schoolgebouw. Het stond vol met boobytraps. Ik kon ternauwernood ontsnappen. Jezus. Ik zweette peentjes. Ik scheet zowat in m’n broek. Dat was niet normaal. Hoezo losse flodders? Ik kijk Vincent aan. De zon schijnt schuin op zijn gezicht en ik zie de angst in zijn ogen. Hij schijt in zijn broek, denk ik vermaakt. Dit jaar is het mijn beurt.

Ik loop naar hem toe en blijf op ongeveer drie meter afstand staan en strek mijn arm. Ik knijp mijn niet dominante oog dicht. Mijn rechter. Met vaste hand richt ik het wapen op mijn zakenpartner. Het is een klerelijer. Ik mik op zijn hoofd. Over tien seconden krijgt hij er een tussen zijn donkere wenkbrauwen. Ik kan niet wachten tot het zover is en tel hardop af: ‘Tien, negen, acht…’

‘Verdomme,’ vloekt Vincent.

‘Zeven, zes, vijf, vier…’ Zie ik nou tranen in zijn ogen? Serieus? Hij smeekt of ik alsjeblieft wil stoppen. Nu. Hij heeft er genoeg van, zegt hij.

‘Rien ne va plus, Vincent,’ zeg ik zacht. ‘Drie, twee, één…’

‘Nee!’ schreeuwt hij keihard. ‘Stop!’ Het geluid van het schot overtreft zijn laatste schreeuw. Vincent valt voorover met zijn gezicht in het warme zand. Een doffe plof. En dan… stilte. Doodse stilte. Godverdomme. Volgens mij raakte ik hem in zijn borst. Mikken is niet mijn sterkste kant. Ik haal een paar maal diep adem. Nu is het drukkend warm. Er staat geen zuchtje wind. Uit mijn broekzak vis ik een zakdoek en poets het wapen grondig schoon. Ik voel mijn hart in mijn keel kloppen als ik even later naast het lompe lichaam sta. Het zand kleurt langzaam rood. Mijn mond is kurkdroog. Mijn tong een lap leer. De adrenaline giert nog door mijn lijf. Dit was kicken, denk ik. Niet te evenaren. Top Ik ga op mijn hurken zitten en stop het wapen in zijn rechterhand ter hoogte van zijn borst. Overduidelijk zelfmoord. Ik kan er niets anders van maken. Game over. Werkelijk, het verbaast me dat ik er koud onder blijf. Dat het me geen reet doet.

De lucht betrekt, in de verte rommelt het. Een fikse regenbui zou alle sporen wissen. De auto van Vincent staat aan de rand van het bos. Die van mij een halfuur lopen hiervandaan. Ik pak mijn iPhone uit mijn kontzak en check de tijd. Halfvier. Over anderhalf uur heb ik een afspraak met Vincent. Op ons makelaarskantoor, De Jongh & Verbeek. Ik moet opschieten. Als ik bijna bij de bosrand ben, voel ik opeens de koude loop van een wapen in mijn nek. Fuck. Ik bevries. Mijn hart mist een paar slagen. Ik schrik me kapot. Vincent mompelt iets in mijn oor. Hij is allesbehalve dood, staat vlak achter me. Hij heeft het over de grote verwisseltruc.

‘Toen jij moest piesen,’ fluistert hij. ‘Weet je nog, knakker?’

Ik weet het nog en denk aan de korte pitstop onderweg hiernaartoe. Er loopt warm vocht langs mijn benen. Nu pies ik in mijn broek. De blamage.

‘Je liet je Glock op je stoel liggen,’ zegt hij zachtjes en hij grinnikt. Hij stinkt uit zijn bek naar rook. Verdomme, ik vertrouwde hem. Hij verwisselde het magazijn. Shit, shit, shit. Mijn darmen maken een raar geluid en ik voel me misselijk worden.

‘Je bloedde,’ murmel ik wanhopig. ‘Ik weet zeker dat je bloedde.’

‘Nepbloed. Zo’n zakje uit een feestwinkel.’

‘Vincent,’ fluister ik. ‘Kerel. Kunnen we er niet gewoon…’

‘Doorlopen en je bek houden,’ zegt hij streng.

Zwijgend leggen we enkele meters af. De eerste druppels vallen. Een bliksem kraakt boven ons hoofd. Ik tel. Verder dan drie tellen kom ik niet. De klap is oorverdovend. De grond dreunt onder mijn voeten. We staan stil. Het regent. Het hoost.

‘Rien ne va plu, Eric. Mijn beurt. Drie, twee, één…’