Vrije val

'Vrije val' is het winnende verhaal van de online Bibliotheek Alice Munro Verhalenwedstrijd 2021.


'Durf jij wat ik durf, Vicky?'

Elize loopt over het platte dak van het landschapshotel waar we logeren en blijft vlak voor de lage dakrand staan. Een muurtje van pakweg twintig centimeter hoog. Ze staat gevaarlijk dichtbij. Ik loop schuin achter haar en bevries ter plekke. Elize met haar kortgeknipte haar, haar jongensachtige uiterlijk. Het was haar idee om hiernaartoe te gaan. Alle maffe en impulsieve ideeën kwamen van haar. Dat was altijd al zo geweest, van kleins af aan. Het hoorde bij haar karakter.

Wat doe ik hier eigenlijk? Waarom sta ik hier?

Omdat Elize mijn twee jaar jongere zus is en ze altijd haar zin krijgt. Ze daagt me altijd uit om dingen te doen die ik niet wil. Dat is typisch Elize. Soms vind ik haar onuitstaanbaar, zoals nu. Zoals ze daar staat in haar streepjestrui en vale spijkerbroek met scheuren. Vol bravoure. We verschillen niet alleen qua uiterlijk.

Een kwartier geleden zat ik nog keurig op een rotan stoel op een zonovergoten terras, beneden in de tuin. Ik droeg een fleurig zomerjurkje en dronk thee uit een gebloemd kopje. Mijn rug kaarsrecht, mijn rechterpink in de lucht. Als een dame. Elize zat tegenover me en staarde verveeld voor zich uit. Thee drinken vond ze saai. Oersaai. Haar blik dwaalde af en bleef ergens achter mij hangen. Haar houding veranderde. Ze veerde overeind. Haar donkere ogen glinsterden. Elize zag er opgewonden uit. Met blosjes op haar wangen. ‘Kom,’ zei ze en ze boog naar me toe. ‘We gaan het dak op.’

‘Het dak op?’ echode ik fluisterend. ‘Je bedoelt…?’ Ik keek verschrikt over mijn schouder naar het hotel met de groen gestreepte markiezen voor de ramen. Het telde drie etages en was zeker meer dan vijftien meter hoog.

‘Ja,’ grijnsde Elize. Ze wilde weten hoe de wereld er van bovenaf uitzag.

‘Je bent niet goed wijs,’ sputterde ik en ik keek haar aan. ‘Dat zijn kwajongensstreken en…’

‘… wij zijn geen kwajongens,’ viel ze me in de rede. Ze rolde met haar ogen en woelde met beide handen door haar donkere haar.

‘Precies,’ antwoordde ik geïrriteerd. ‘Volgende maand word ik al vijfentwintig.’

‘Jemig, Vicky. Jij bent altijd zó braaf. Zó netjes. Ga eens leven.’

Ik haalde mijn schouders op en zei dat de toegang naar het dak voor gasten vast en zeker verboden was. ‘En dat is niet voor niets.’ Mijn hart bonsde in mijn keel.

Ze zuchtte diep en zei: ‘Jij gelooft altijd dat iets onmogelijk is nog voordat je het geprobeerd hebt.’ Ze vond het behoorlijk kansloos. ‘Nou, drink je thee op, dan kunnen we gaan.’ Ze sprong op en ging ongeduldig naast mijn stoel staan wiebelen. Ze popelde.

Met kleine teugjes dronk ik mijn thee en rekte de tijd. Ik wilde niet naar boven. Ik durfde niet. En toch liep ik even later naast haar door de imposante hal op weg naar de lift.

En nu sta ik hier. En ik vind het doodeng. Hoogtevrees doet me naar adem happen. Ik moet er niet aan denken wat er zou kunnen gebeuren als Elize haar evenwicht verliest.

‘Nou, kom je nog?’ Ze roept dat het uitzicht prachtig is. Weids. Ze kan heel ver kijken.

Ik sla mijn armen om mijn lijf en roep nee. Ik denk aan de laatste hindernis die we moesten nemen om hier te komen: een smalle, stalen uitschuifladder. Dat was al erg genoeg. Ze bekijkt het maar.

Elize lacht hardop. Ze wist wel dat ik niet durfde. Ze noemt me een bangerik en zet haar rechtervoet op de rand. ‘Elize!’ Wat doet ze nu? Ik wil niet zien wat er gebeurt en knijp mijn ogen stijf dicht. Stel je voor dat…

‘Hé! Hola! Hier jij.’ Iemand trekt me met een ruk aan mijn arm naar achteren. Weg van de angstaanjagende diepte. De afgrond waarin ik mezelf dreig te verliezen.

Geschrokken en licht gedesoriënteerd kijk ik om me heen. Een zachte vrouwenstem zegt dat ik de zorg heel erg heb laten schrikken. Ze waren me zomaar ineens kwijt. Normaal gesproken zit het luik naar de uitgang van het dak op slot. Het is een zuster die dat zegt. Janet heet ze. Ik herken haar. Ze is mijn vaste aanspreekpunt in de privékliniek waar ik ben opgenomen. Nu weet ik weer waar ik ben. Mijn ouders hebben me hier gebracht. De dokter dacht dat een landelijke omgeving me goed zou doen nadat… Waar is Elize? Ik zie haar nergens. Ik moet haar zoeken. Paniekerig roep ik haar naam.

‘Was Elize er weer?’ vraagt Janet.
‘Ja, en het was haar idee,’ zeg ik zacht en met een bibberstem. ‘Ze wilde dat ik…’
Janet slaat een arm om me heen. Ze schudt haar hoofd. Onder zachte dwang draait ze me om. Langzaam lopen we naar het openstaande luik. Ze zegt dat ik terug moet keren naar het nu. Dat ik het verleden moet laten rusten. Dat ik Elize moet laten rusten. Dat ze vorig jaar is overleden. Ze was manisch toen het gebeurde.

Toen wat gebeurde? Waar heeft ze het over? Ze zegt verschrikkelijke dingen. Er is geen Elize. Er is alleen ik. Janet liegt. Ik ruik Mimosa. Ik ruik Elize. Ze is nog steeds hier.

Als ik achterom kijk schrik ik me een ongeluk en slaak een gil. Elize staat balancerend op de smalle rand. Ze spreidt haar armen en laat zich geruisloos voorover vallen.


(Alle personages in dit verhaal zijn verzonnen. Elke gelijkenis met bestaande personen berust op toeval.)